|
Droom...
Ik heb een droom
gerealiseerd. Toen ik klein was, kregen we
geconserveerde melk uit Nederland. Op het conservenblik
stond een melkmeisje op klompen, een koe, water, molen
en groen gras. Ik was zo verliefd op dat blikje. Wat
wilde ik graag naar dat land. Mijn vader lachte me uit
en zei: daar kunnen donkere mensen niet leven. Maar ik
was vastberaden en hing het blikje boven mijn bed. Mijn
moeder was helderziende. Vroeger bekeek zij de toekomst
in het water, later in een spiegel. Al voor mijn
geboorte wist ze dat ik een jongen was en dat ik niet
bij haar zou blijven: ik zou naar de blanken gaan. Met
die wetenschap groeide ik op, al wist ik niet welke weg
ik zou afleggen.
Ik werd geboren in Mali in
een griot-familie. In Mali bestaat een
kastensysteem. Een griot heeft het alleenrecht om
muziek te maken en verhalen te vertellen. Hij is een
wandelend geschiedenisboek en geeft oude histories en
familiestambomen beroepsmatig door aan het volk. Mijn
vader was een bekend griot. Als er iets
belangrijks te vertellen was, trok hij met zijn
talking drum door het dorp en speelde 'Kom naar
buiten'. De mensen verstonden zijn oproep en kwamen
luisteren. Tijdens een begrafenis speelde mijn vader
hele verhalen op de balafoon, een houten
xylofoon. De aanwezigen begrepen dit en vertelden de
boodschap door aan de thuisblijvers. Iedereen kon de
klanken van de balafoon vertalen in spraak, men groeit
daar mee op.
Tijdens bijeenkomsten, waar vissers en jagers elkaar
verhalen vertellen, speelde mijn vader ngoni, een
1-snarige gitaar. Ik zat erbij en keek ernaar, als
kleuter.
De
stok op mijn kop…
Als zesjarige ging ik met
mijn vader mee naar de plantage om muziek te maken voor
de landarbeiders. Eindelijk kon er een zoon mee. Mijn
acht oudere zussen mochten niet trommelen, dat deden
meisjes niet. Mijn vader en oom speelden talking drum
en ik begeleidde hen op een dubbelzijdig bespannen
bastrommel, een doundoum. Ik moest het ritme
volhouden. Zat ik ernaast, dan kreeg ik met de stok op
mijn kop. Op zo'n dag speelden we continu: op weg naar
het veld, tijdens het werk en 's avonds in het dorp ter
ontspanning van de arbeiders. Het was vermoeiend, maar
wel hartstikke leuk: alle dorpen in de omgeving kenden
mij.
Dat was in Burkina Faso,
waar we een paar jaar na mijn geboorte zijn gaan wonen.
Net als de andere grootfamilies hadden we een erf, dat
bestond uit ronde hutten met een rieten puntdak, omringd
door een lemen muur. In de regentijd brokkelde die muur
steeds verder af. De droge periode gebruikte we om
nieuwe stenen te bakken in de zon. De over de vlakte
verspreide erven vormden een uitgestrekt dorp. Rond ons
erf rook het naar de kruiden die we brandden om slangen,
schorpioenen en heksen te weren. We hadden een speciaal
kamertje voor de fetisj, die van generatie op generatie
gekoesterd werd en regelmatig een bloedoffer vorderde.
Alleen de familieoudste had daar entree, voor kinderen
was dat streng verboden. In mijn vertrek viel spaarzaam
licht door een windrooster. Hier sliep ik, op een mat
van bamboe.
Soms was ik mijn bed
kwijt, dan sliep ik op een balafoon. We hadden constant
veel gasten. Mijn vader zei altijd: "Wij zorgen voor
iedereen." Mensen die voor mijn moeder kwamen, bleven
overnachten, maar ook zieke mensen die mijn vader
behandelde. Mijn vader was medicijnman. Als iemand
medicijnen nodig had, ging mijn vader het bos in. De
werkwijze was heel precies. Na het plukken van de ene
plant moet je rennen zonder stoppen tot je thuis bent,
de blaadjes in de stamper doen en direct te drinken
geven aan de patiënt. Voor de geslaagde geneeskrachtige
werking van de andere plant moet je helemaal naakt zijn
als je hem zoekt. Vaak ging ik mee, maar soms mocht dat
niet, bijvoorbeeld als mijn vader een plant nodig had
die te krachtig was voor kleine kinderen. Een plant kan
je gek maken!
Kijken, luisteren en doen…
Mijn ouders werden allebei
betaald met dieren. Het was mijn taak op de beesten te
letten. Overdag ging ik met de schapen naar de wei. 's
Avonds rende ik achter de geiten en kalkoenen aan. De
kippen en parelhoenders kwamen vanzelf thuis. We hadden
ook paarden, die verhuurden we voor feesten. Twee van
mijn zussen konden naar school. De anderen moesten, net
als ik, thuis helpen: koken, haren vlechten, spullen
verkopen op de markt. Soms verzamelden ze karité-noten
en maakten daarvan huidcrème, bakolie en zeep. Ik vind
het wel jammer dat ik niet naar school ben gegaan, want
een goed betaalde baan is zonder opleiding moeilijk te
vinden. Maar ik kan wel lezen en schrijven, dat heb ik
mezelf geleerd. Alles wat ik kan, heb ik mezelf geleerd.
Door te kijken, te luisteren en te doen. Ik speel nu
meer dan tien instrumenten.
Als mijn vader van huis
was, speelde ik stiekem op zijn ngoni. Alle
liedjes die ik hem had zien spelen terwijl hij verhalen
vertelde, had ik als een spons opgezogen. Binnen een mum
van tijd speelde ik ze na. Mijn moeder, voor wie niets
verborgen bleef, zei op een dag tegen mijn vader: "Die
kleine jongen speelt al je liedjes." Hij geloofde dat
niet, maar was wel nieuwsgierig, dus verstopte hij zich.
Toen ik dacht dat hij weg was, ging ik spelen en kwam
hij te voorschijn. Hij was blij verrast en gaf als blijk
van aanmoediging zijn ngoni aan mij. Ik ging verder met
nieuwe liedjes, maar al snel bleek dat één snaar niet
voldeed: ik kreeg vier snaren. Het duurde niet lang of
ik zeurde om zes snaren. Daar had mijn vader geen geld
voor. In het dorp was een jongen met een gitaar. Ik
hielp hem af en toe met zijn job als schoenenpoetser en
kocht sigaretten voor hem. In ruil daarvoor mocht ik op
zijn instrument spelen. Toen ik voor het eerst een
andere gitaar zag, stootte ik uit: "Wat is dat nou, de
snaren zitten verkeerd om!" Ik had leren spelen op een
linkshandige gitaar, de enige gitaar in ons dorp!
Toen ik veertien was,
overleed mijn vader. Zoals de traditie voorschrijft,
ging ik bij mijn oom wonen. Hij behandelde me slecht, ik
moest op rijstvelden en in het abattoir werken met een
klein kommetje gierstepap in mijn maag, hij gooide
stenen naar me als ik boven in een mangoboom zat en het
ergste: hij hield niet van muziek. In die tijd heb ik
zelf een gitaar gemaakt van blik. Met wat geld, dat ik
op de markt verdiende met mijn handduwkarretje, kocht ik
een petroleumblik, een stok en spijkertjes. De snaren
maakte ik van fietsremkabels. Mijn oom maakte die gitaar
steeds kapot. Op een gegeven moment verstopte ik mijn
gitaar in de grond en groef hem weer op als ik thuis
kwam. Als ik met de schapen naar buiten ging, nam ik
mijn gitaar mee en speelde liedjes na van een lokale
band. De meisjes uit het dorp hoorden dat en vertelden
het door aan de bandleider. Toevallig ging de gitarist
net weg. Zo kwam ik met mijn blikken gitaar in een band.
Op een dag nam ik een echte gitaar mee naar huis, om aan
mijn oom te laten zien. Ik zei: "Papa, deze gitaar is
niet van mij. Als je hem kapot maakt, moet ik de
gevangenis in, want een nieuwe kan ik niet betalen." Ik
had hem ook al eens de opbrengst van een optreden
gegeven. Toen zei hij: "Goed. Je mag gitaar spelen,
omdat je er geld mee verdient."
Een
vreselijk scenario…
“Spoedig daarna kwam ik in
een orkest in de grote stad Bobo Dioulasso. Als test had
ik een liedje op een elpee moeten beluisteren en
naspelen. Dat was voor mij geen probleem. Als ik naar
een nummer luister, neem ik het in me op en kan het
naspelen. Ik ben opgegroeid met gehoor, dus ik hoef geen
noten te lezen. Dat kan ik nu wel, maar na één keer
spelen zit het repertoire in mijn hoofd en kan ik 't
zelfs over een jaar weer spelen, zonder te oefenen.
Met de band in Bobo begint
mijn avontuur. Ik werd sologitarist, omdat de vorige was
meegenomen door het leger. Het gebeurde vaker in Burkina
Faso, dat goede muzikanten werden ontdekt en vervolgens
in de militaire-dienstband moesten spelen. Tegen de tijd
dat er een betere muzikant was gevonden, werd je aan de
kant gezet en moest je dienen als gewoon militair. Een
vreselijk scenario. Dit lot was mij ook beschoren, want
op zekere dag kwamen de militairen voor míj. Ze wilden
mij, een Malinees nota bene. Ik besloot er vandoor te
gaan. Te voet was ik tweeënhalve week onderweg voordat
ik de grens met Ivoorkust bereikte. Zonder geld, zonder
instrument. De douanier zei: "Kom thee voor ons maken.
Wat speel je, gitaar? Speel dan een liedje. Als je niets
kan, kom je de grens niet over." Hij haalde een vieze
oude gitaar met drie snaren van de muur. Toen ik klaar
was, openden ze de grens voor me en gaven me zelfs geld,
drie mango's en een jerrycan water mee.
Daar ging ik dan, net
vijftien jaar en ik kende niemand in Ivoorkust. Ik ging
als muzikant bij een vrouwencollectief aan de slag, maar
de vrouw die mij in huis nam, werd verliefd op mij. Dat
kon toch niet: ik had zoveel respect voor die vrouw, zag
haar als een moeder! Ik nam de benen. Ik was niet
geïnteresseerd in vrouwen, ik wilde geen vriendin. Ik
nam geen drank of drugs. Ik wilde mijn route volgen.
Terwijl anderen gingen dammen en kaarten, moest en zou
ik muziek maken. Op mijn zwerftocht door Ivoorkust heb
ik veel instrumenten leren spelen. Zonder enige ervaring
ging ik de uitdaging aan. Had een band een
keyboardspeler nodig, dan zei ik: "Goed. Waar staat het
keyboard? Mag ik daar dan slapen?" De hele nacht was ik
bezig met het onderzoeken van het instrument. De
volgende ochtend op de repetitie speelde ik keyboard. Zo
ging dat ook met basgitaar, drums en saxofoon.
Het
bloed van de griot…
Op een goede dag kreeg ik
een aanstelling in de huidige hoofdstad Yamoussoukro,
als trainer van kinderen die meededen aan een
muziekconcours. Het eerste jaar haalden mijn leerlingen
de tweede prijs, het jaar daarop werden ze eerste. Daar
heb ik geleerd wat ik nu nog steeds met veel plezier
doe: lesgeven. Ik heb met veel muzikanten samengespeeld,
onder meer met Salif Keita, bij de Diabataband met de
beroemde gitarist Zani Diabaté en de Super Rail Band uit
Mali. 's Avonds liep ik vaak met mijn kora – een
Afrikaanse harp – door de wijk en zong liedjes voor de
huizen. Op dit moment wordt al mijn tijd in beslag
genomen door het zelf spelen van allerlei soorten
muziek. Dat is mijn passie. Maar ik weet ook dat mijn
talent is om iemand te leren muziek te maken. Hoe je ook
bent, wat je ook kunt, ik kan je een instrument leren
spelen. Alles wat ik nodig heb, is een voluit "ja" op de
vraag of je er zin in en geduld voor hebt. Ik wil mijn
kennis en kunde overdragen. Dat is het griot-bloed dat
in mij stroomt.”
|