Zoumana Diarra is in Mali geboren en opgegroeid en heeft daarna nog in diverse andere Afrikaanse landen gewoond. Het bespelen van muziekinstrumenten hoorde bij zijn opvoeding. Zou stamt uit een familie van ‘griots’. Een griot of djeli is in West-Afrika een dichter, zanger of muzikant. De kaste van griots stond vroeger hoog aangeschreven bij het hof in Mali. Een griot moet liederen kunnen zingen voor volk en koning, (historische) verhalen kunnen vertellen en hij moet alles afweten van de aanwezigen en hun familierelaties. Tegenwoordig hebben griots nog steeds een belangrijke functie, zij geven door middel van muziek of zang belangrijke historische gebeurtenissen en tradities door aan het volk.

Zou leeft vanaf zijn 12de jaar van en voor de muziek. In de tijd dat hij nog in Afrika woonde, heeft hij gespeeld met inmiddels legendarische orkesten als Alfa Blondy’s reggeaband Dafrasta, Railband de Bamako, Super Biton de Segou, Super Djata en met zanger Salif Keita. Hij is een virtuoos op gitaar en speelt daarnaast ook kora (Afrikaanse harp), ngoni (viersnarig Afrikaanse gitaar), balafoon (houten xylofoon) en djembé. In de jaren '80 begon hij ook elementen uit jazz, salsa en R&B in zijn spel mee te nemen.

Sinds 1990 woont Zou in Nederland.
Ook hier heeft Zou met verschillende grootheden uit de Nederlandse muziek gespeeld.
Zo stond hij o.a. op het podium met Stef Bos, Female Factory, Trijntje Oosterhuis en Leoni Jansen.
 
De laatste jaren toert Zou ook regelmatig met de Five Great Guitars (o.a. met Harry Sacksioni) door het land.

Naast zijn gitaarspel staat Zou bekend om zijn betoverende spel op zijn eigen gebouwde kora met maar liefst 43 snaren. Ook heeft hij regelmatig muziekworkshops aan scholen en bedrijven en bouwt hij zelf instrumenten.

 

 

Downloads:

Biografie 

Biografie
 

foto's
 

Droom...

Ik heb een droom gerealiseerd. Toen ik klein was, kregen we geconserveerde melk uit Nederland. Op het conservenblik stond een melkmeisje op klompen, een koe, water, molen en groen gras. Ik was zo verliefd op dat blikje. Wat wilde ik graag naar dat land. Mijn vader lachte me uit en zei: daar kunnen donkere mensen niet leven. Maar ik was vastberaden en hing het blikje boven mijn bed. Mijn moeder was helderziende. Vroeger bekeek zij de toekomst in het water, later in een spiegel. Al voor mijn geboorte wist ze dat ik een jongen was en dat ik niet bij haar zou blijven: ik zou naar de blanken gaan. Met die wetenschap groeide ik op, al wist ik niet welke weg ik zou afleggen.

Ik werd geboren in Mali in een griot-familie. In Mali bestaat een kastensysteem. Een griot heeft het alleenrecht om muziek te maken en verhalen te vertellen. Hij is een wandelend geschiedenisboek en geeft oude histories en familiestambomen beroepsmatig door aan het volk. Mijn vader was een bekend griot. Als er iets belangrijks te vertellen was, trok hij met zijn talking drum door het dorp en speelde 'Kom naar buiten'. De mensen verstonden zijn oproep en kwamen luisteren. Tijdens een begrafenis speelde mijn vader hele verhalen op de balafoon, een houten xylofoon. De aanwezigen begrepen dit en vertelden de boodschap door aan de thuisblijvers. Iedereen kon de klanken van de balafoon vertalen in spraak, men groeit daar mee op.  Tijdens bijeenkomsten, waar vissers en jagers elkaar verhalen vertellen, speelde mijn vader ngoni, een 1-snarige gitaar. Ik zat erbij en keek ernaar, als kleuter.

De stok op mijn kop…

Als zesjarige ging ik met mijn vader mee naar de plantage om muziek te maken voor de landarbeiders. Eindelijk kon er een zoon mee. Mijn acht oudere zussen mochten niet trommelen, dat deden meisjes niet. Mijn vader en oom speelden talking drum en ik begeleidde hen op een dubbelzijdig bespannen bastrommel, een doundoum. Ik moest het ritme volhouden. Zat ik ernaast, dan kreeg ik met de stok op mijn kop. Op zo'n dag speelden we continu: op weg naar het veld, tijdens het werk en 's avonds in het dorp ter ontspanning van de arbeiders. Het was vermoeiend, maar wel hartstikke leuk: alle dorpen in de omgeving kenden mij.

Dat was in Burkina Faso, waar we een paar jaar na mijn geboorte zijn gaan wonen. Net als de andere grootfamilies hadden we een erf, dat bestond uit ronde hutten met een rieten puntdak, omringd door een lemen muur. In de regentijd brokkelde die muur steeds verder af. De droge periode gebruikte we om nieuwe stenen te bakken in de zon. De over de vlakte verspreide erven vormden een uitgestrekt dorp. Rond ons erf rook het naar de kruiden die we brandden om slangen, schorpioenen en heksen te weren. We hadden een speciaal kamertje voor de fetisj, die van generatie op generatie gekoesterd werd en regelmatig een bloedoffer vorderde. Alleen de familieoudste had daar entree, voor kinderen was dat streng verboden. In mijn vertrek viel spaarzaam licht door een windrooster. Hier sliep ik, op een mat van bamboe.

Soms was ik mijn bed kwijt, dan sliep ik op een balafoon. We hadden constant veel gasten. Mijn vader zei altijd: "Wij zorgen voor iedereen." Mensen die voor mijn moeder kwamen, bleven overnachten, maar ook zieke mensen die mijn vader behandelde. Mijn vader was medicijnman. Als iemand medicijnen nodig had, ging mijn vader het bos in. De werkwijze was heel precies. Na het plukken van de ene plant moet je rennen zonder stoppen tot je thuis bent, de blaadjes in de stamper doen en direct te drinken geven aan de patiënt. Voor de geslaagde geneeskrachtige werking van de andere plant moet je helemaal naakt zijn als je hem zoekt. Vaak ging ik mee, maar soms mocht dat niet, bijvoorbeeld als mijn vader een plant nodig had die te krachtig was voor kleine kinderen. Een plant kan je gek maken!

Kijken, luisteren en doen…

Mijn ouders werden allebei betaald met dieren. Het was mijn taak op de beesten te letten. Overdag ging ik met de schapen naar de wei. 's Avonds rende ik achter de geiten en kalkoenen aan. De kippen en parelhoenders kwamen vanzelf thuis. We hadden ook paarden, die verhuurden we voor feesten. Twee van mijn zussen konden naar school. De anderen moesten, net als ik, thuis helpen: koken, haren vlechten, spullen verkopen op de markt. Soms verzamelden ze karité-noten en maakten daarvan huidcrème, bakolie en zeep. Ik vind het wel jammer dat ik niet naar school ben gegaan, want een goed betaalde baan is zonder opleiding moeilijk te vinden. Maar ik kan wel lezen en schrijven, dat heb ik mezelf geleerd. Alles wat ik kan, heb ik mezelf geleerd. Door te kijken, te luisteren en te doen. Ik speel nu meer dan tien instrumenten.

Als mijn vader van huis was, speelde ik stiekem op zijn ngoni. Alle liedjes die ik hem had zien spelen terwijl hij verhalen vertelde, had ik als een spons opgezogen. Binnen een mum van tijd speelde ik ze na. Mijn moeder, voor wie niets verborgen bleef, zei op een dag tegen mijn vader: "Die kleine jongen speelt al je liedjes." Hij geloofde dat niet, maar was wel nieuwsgierig, dus verstopte hij zich. Toen ik dacht dat hij weg was, ging ik spelen en kwam hij te voorschijn. Hij was blij verrast en gaf als blijk van aanmoediging zijn ngoni aan mij. Ik ging verder met nieuwe liedjes, maar al snel bleek dat één snaar niet voldeed: ik kreeg vier snaren. Het duurde niet lang of ik zeurde om zes snaren. Daar had mijn vader geen geld voor. In het dorp was een jongen met een gitaar. Ik hielp hem af en toe met zijn job als schoenenpoetser en kocht sigaretten voor hem. In ruil daarvoor mocht ik op zijn instrument spelen. Toen ik voor het eerst een andere gitaar zag, stootte ik uit: "Wat is dat nou, de snaren zitten verkeerd om!" Ik had leren spelen op een linkshandige gitaar, de enige gitaar in ons dorp!

Toen ik veertien was, overleed mijn vader. Zoals de traditie voorschrijft, ging ik bij mijn oom wonen. Hij behandelde me slecht, ik moest op rijstvelden en in het abattoir werken met een klein kommetje gierstepap in mijn maag, hij gooide stenen naar me als ik boven in een mangoboom zat en het ergste: hij hield niet van muziek. In die tijd heb ik zelf een gitaar gemaakt van blik. Met wat geld, dat ik op de markt verdiende met mijn handduwkarretje, kocht ik een petroleumblik, een stok en spijkertjes. De snaren maakte ik van fietsremkabels. Mijn oom maakte die gitaar steeds kapot. Op een gegeven moment verstopte ik mijn gitaar in de grond en groef hem weer op als ik thuis kwam. Als ik met de schapen naar buiten ging, nam ik mijn gitaar mee en speelde liedjes na van een lokale band. De meisjes uit het dorp hoorden dat en vertelden het door aan de bandleider. Toevallig ging de gitarist net weg. Zo kwam ik met mijn blikken gitaar in een band. Op een dag nam ik een echte gitaar mee naar huis, om aan mijn oom te laten zien. Ik zei: "Papa, deze gitaar is niet van mij. Als je hem kapot maakt, moet ik de gevangenis in, want een nieuwe kan ik niet betalen." Ik had hem ook al eens de opbrengst van een optreden gegeven. Toen zei hij: "Goed. Je mag gitaar spelen, omdat je er geld mee verdient."

Een vreselijk scenario…

“Spoedig daarna kwam ik in een orkest in de grote stad Bobo Dioulasso. Als test had ik een liedje op een elpee moeten beluisteren en naspelen. Dat was voor mij geen probleem. Als ik naar een nummer luister, neem ik het in me op en kan het naspelen. Ik ben opgegroeid met gehoor, dus ik hoef geen noten te lezen. Dat kan ik nu wel, maar na één keer spelen zit het repertoire in mijn hoofd en kan ik 't zelfs over een jaar weer spelen, zonder te oefenen.

Met de band in Bobo begint mijn avontuur. Ik werd sologitarist, omdat de vorige was meegenomen door het leger. Het gebeurde vaker in Burkina Faso, dat goede muzikanten werden ontdekt en vervolgens in de militaire-dienstband moesten spelen. Tegen de tijd dat er een betere muzikant was gevonden, werd je aan de kant gezet en moest je dienen als gewoon militair. Een vreselijk scenario. Dit lot was mij ook beschoren, want op zekere dag kwamen de militairen voor míj. Ze wilden mij, een Malinees nota bene. Ik besloot er vandoor te gaan. Te voet was ik tweeënhalve week onderweg voordat ik de grens met Ivoorkust bereikte. Zonder geld, zonder instrument. De douanier zei: "Kom thee voor ons maken. Wat speel je, gitaar? Speel dan een liedje. Als je niets kan, kom je de grens niet over." Hij haalde een vieze oude gitaar met drie snaren van de muur. Toen ik klaar was, openden ze de grens voor me en gaven me zelfs geld, drie mango's en een jerrycan water mee.

Daar ging ik dan, net vijftien jaar en ik kende niemand in Ivoorkust. Ik ging als muzikant bij een vrouwencollectief aan de slag, maar de vrouw die mij in huis nam, werd verliefd op mij. Dat kon toch niet: ik had zoveel respect voor die vrouw, zag haar als een moeder! Ik nam de benen. Ik was niet geïnteresseerd in vrouwen, ik wilde geen vriendin. Ik nam geen drank of drugs. Ik wilde mijn route volgen. Terwijl anderen gingen dammen en kaarten, moest en zou ik muziek maken. Op mijn zwerftocht door Ivoorkust heb ik veel instrumenten leren spelen. Zonder enige ervaring ging ik de uitdaging aan. Had een band een keyboardspeler nodig, dan zei ik: "Goed. Waar staat het keyboard? Mag ik daar dan slapen?" De hele nacht was ik bezig met het onderzoeken van het instrument. De volgende ochtend op de repetitie speelde ik keyboard. Zo ging dat ook met basgitaar, drums en saxofoon.

Het bloed van de griot…

Op een goede dag kreeg ik een aanstelling in de huidige hoofdstad Yamoussoukro, als trainer van kinderen die meededen aan een muziekconcours. Het eerste jaar haalden mijn leerlingen de tweede prijs, het jaar daarop werden ze eerste. Daar heb ik geleerd wat ik nu nog steeds met veel plezier doe: lesgeven. Ik heb met veel muzikanten samengespeeld, onder meer met Salif Keita, bij de Diabataband met de beroemde gitarist Zani Diabaté en de Super Rail Band uit Mali. 's Avonds liep ik vaak met mijn kora – een Afrikaanse harp – door de wijk en zong liedjes voor de huizen. Op dit moment wordt al mijn tijd in beslag genomen door het zelf spelen van allerlei soorten muziek. Dat is mijn passie. Maar ik weet ook dat mijn talent is om iemand te leren muziek te maken. Hoe je ook bent, wat je ook kunt, ik kan je een instrument leren spelen. Alles wat ik nodig heb, is een voluit "ja" op de vraag of je er zin in en geduld voor hebt. Ik wil mijn kennis en kunde overdragen. Dat is het griot-bloed dat in mij stroomt.”